LIZENE Jacques - La Vie, camps de travail
Jacques Lizène (1946-2021) studeert in 1966 af aan de Académie des Beaux-Arts van Luik. Hetzelfde jaar neemt hij deel aan de tentoonstelling Jeune Liégeois georganiseerd door APIAW, waar hij kennis maakt met onder meer Jacques-Louis Nyst en Jean-Pierre Ransonnet. Vanaf 1973 maken deze kunstenaars en Pierre Courtois deel uit van het door Jacques Lennep in 1972 opgerichte Waals-Brusselse kunstenaarscollectief CAP – Cercle d’Art Prospectif. Lizène hanteert een radicale zelfspot. In zijn ‘dessins médiocres’ cultiveert hij bijvoorbeeld zijn eigen ‘middelmatigheid’. Na een tentoonstelling in 1969 in de Luikse galerij Yellow Now, roept hij zichzelf uit tot ‘Petit Maître Liégeois de la seconde moitié du XXe siècle’.
La vie, camps de travail bestaat uit een doek dat op een zwarte drager is bevestigd. Centraal op dit doek bevindt zich een baksteenpatroon dat deels getekend, deels uitgesneden is. In de rechterbenedenhoek van het kader kleeft een verscheurde foto van een bakstenen muur, waarop nog net een been te zien is van een persoon die uit beeld stapt.
Deze foto verwijst naar een reeks die Lizène in 1971 maakte en waarop hij verschillende poses aanneemt voor deze bakstenen muur. In Petit Maître liégeois s’introduisant joyeusement dans le cadre d’une photo loopt de kunstenaar bijvoorbeeld met anderhalf been in beeld. De bakstenen muur is een vaak terugkerend motief binnen het oeuvre van Lizène, waarmee hij naar eigen zeggen verwijst naar enerzijds de Belgische kunst (Broodthaers, Magritte), maar ook naar zijn eigen ‘armzalige’ afkomst in de Luikse buitenwijken, die hij bestempelt als ‘la banlieu de l’art’.
Op het doek is op verschillende plaatsen tekst aangebracht. Helemaal bovenaan lezen we de omcirkelde zin ‘Tous assujetis au “système de secuction”: aieaieaie’ met daaronder ‘La vie, camps de travail’ (de letter s is doorstreept). In zijn werk verwijst Lizène geregeld naar arbeid en in het bijzonder in combinatie met het motief van de bakstenen muur. In zijn gefictionaliseerde biografie schrijft Lizène dat wanneer hij bij zijn geboorte in het ziekenhuis van Ougrée aan de overkant van de straat de bakstenen muren van de Cockerill staalfabrieken zag, hij prompt besloot om kunstenaar te worden.
Onderaan het doek staan woorden van zelfspot, zoals ‘oeuvre sans importance’, ‘art de médiocrité’, en ‘rature’. De kunstenaar, zo lijkt Lizène te insinueren, kan binnen een kapitalistisch systeem gebaseerd op winst en efficiëntie niet anders dan een mislukkeling zijn.
Anton Pereira Rodriguez
- Titel
- La Vie, camps de travail
- Datum
- s.d.
- Medium
- Collage op doek op hout
- Hoogte
- 141 cm
- Breedte
- 121 cm
- Rechten
- In Copyright